Estland is een land in Noordoost-Europa, dat in het westen
wordt begrensd door de Oostzee, in het noorden door de Finse
Golf, in het oosten door Rusland en in het zuiden door
Letland. Het is de noordelijkste en de kleinste van de drie
Baltische landen, en het onderscheidt zich van het middelste
Baltische land Letland onder andere door de taal, die
Finoegrisch is en niet Baltisch.

Geschiedenis van Estland
Het gebied van het huidige Estland wordt sinds ongeveer 11.000 jaar bewoond, nadat het landijs zich teruggetrokken had.
De Esten worden rond 800 voor het eerst genoemd. Aan het begin van de 13e eeuw werden de Esten van Denemarken uit gekerstend. In 1356 werden de Esten door de Duitse Orde onderworpen. Sindsdien had Estland een Duitse minderheid die zichzelf ook als zodanig beschouwde.
Middeleeuwen en vroege renaissance
Middeleeuwse Gotische Stadhuis van TallinnDe ontwikkelingen in de middeleeuwen waren gekenmerkt door het Hanze-lidmaatschap van diverse Estse steden en de handelscontacten naar Scandinavië. Toen de staat van de Duitse Orde uiteenviel onder de aanvallen van Iwan de Verschrikkelijke (Lijflandse Oorlog) onderwierp Estland zich in 1561 aan de Zweedse heerschappij. Het zuiden van Estland rondom Tartu werd samen met het noorden van het huidige Letland (Lijfland) een Pools leen, maar kwam in 1629 met de Vrede van Altmark ook bij Zweden. Onder de Zweden genoten de Esten ruimere vrijheden dan onder de Russen.
Russische heerschappij
Russische kerk van TallinnTijdens de Grote Noordse Oorlog werd Estland in 1710 (definitief in 1721 met de Vrede van Nystad) Russisch onder Peter de Grote en was een van de drie Oostzeegouvernementen (Gouvernement Estland). Het lijfeigenschap werd in Noord-Estland in 1816 en in Zuid-Estland in 1819 afgeschaft. De tsaren na Alexander III (1881-1894) volgden een politiek van Russificatie. Dit leidde tot een groeiend zelfbewustzijn en nationalisme onder de Esten. Een centrale plek in deze ontwikkeling van een eigen identiteit speelde de universiteit van Tartu.
Onafhankelijkheid
Op 24 februari 1918 werd de republiek Estland uitgeroepen. Vooralsnog was dit slechts een papieren besluit. De daadwerkelijke onafhankelijkheid werd tussen 1918 en 1920 bevochten. Met de vrede van Tartu in 1920 erkende de Sovjet-Unie de onafhankelijkheid van Estland.
Estland kwam na 1920 cultureel en economisch tot bloei. In 1934 riep president Konstantin Päts de noodtoestand uit en regeerde als autoritair leider het land.
Bezetting door de Sovjet-Unie en Nazi-Duitland
Monument voor gevallen Russische militairen tijdens de Tweede wereldoorlog op het eiland Hiiumaa, EstlandIn augustus 1939 sloten Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie het Molotov-Ribbentroppact, waarin de invloedssferen van Duitsland en de Sovjet-Unie werden uitonderhandeld. Als resultaat daarvan viel de Sovjet-Unie in juni 1940 Estland binnen. De Sovjet-Unie arresteerde in het eerste jaar van de bezetting 8.000 mensen, waaronder de politieke en militaire top van het land. 2.200 van hen werden geëxecuteerd en de meeste anderen werden in de Sovjet-Unie gevangen gezet. Weinigen keerden terug. Op 14 juni 1941 vonden gelijktijdig massa-deportaties plaats in de drie Baltische republieken; vanuit Estland werden 10.000 burgers naar Siberië en andere uithoeken van de Sovjet-Unie gedeporteerd. Na de Duitse invasie in de Sovjet-Unie werden 32.000 Estse mannen gedwongen in 'arbeidsbataljons' in de Sovjet-Unie te werken. Van hen kwam in het eerste jaar 40 % om het leven door de ontberingen.
Tussen 1941 en 1944 was Estland door Duitsland bezet en viel onder het Reichskommissariat Ostland. De Duitse bezetting bracht geen verlichting voor de Esten: zij kregen hun onafhankelijkheid niet terug en de kleine Joodse gemeenschap (waarvan de helft naar de Sovjet-Unie wist te ontkomen) werd voor het eind van 1941 vrijwel volledig vermoord door SS-Einsatzgruppen.
Tweede Sovjet-bezetting
KGB cellen in het 'grijze huis' in Tartu, EstlandIn de herfst van 1944 werd Estland wederom door de Sovjet-Unie bezet. Van de Estse bevolking vluchtten 80.000 mensen naar het westen. De Zweedse minderheid op de eilanden werd door Zweden opgenomen. Estland werd als Estse SSR in de Sovjet-Unie opgenomen. Dit werd door het Westen niet erkend, maar wel getolereerd.
In de jaren direct na de oorlog werd een guerilla gevoerd door de "Metsavennad" (Woud-broeders). Dit kostte 30-35.000 mensen het leven. In maart 1949 werden ongeveer 20.000 Esten naar Siberië gedeporteerd. Ook onder de Sovjets werd een stringente politiek van Russificatie gevoerd. In het oosten van Estland werden de Esten een minderheid in eigen land.
Tweede Onafhankelijkheid
In 1990 streefde Estland opnieuw naar onafhankelijkheid, net als Litouwen en Letland. Op 20 augustus 1991 verklaarde Estland zich onafhankelijk.
Op 29 maart 2004 werd Estland lid van de NAVO en op 1 mei van hetzelfde jaar werd Estland lid van de Europese Unie.

Estland is pas vanaf 1918 een zelfstandige staat. Het onafhankelijke Estland werd in 1940 door sovjettroepen bezet en na een korte Duitse bezetting in 1944 bij de Sovjet-Unie ingelijfd. Het bezette Estland herkreeg in 1991 zijn onafhankelijkheid. De jaren van toenemende vrijheid die aan deze gebeurtenis voorafgingen, gingen de geschiedenis in als de zingende revolutie.
Voor 1918 behoorde Estland tot de grote mogendheden die het land omringen: het was afwisselend (ten dele) Deens, Zweeds, (ten dele) Pools en Russisch, terwijl de Duitse Orde er eeuwenlang een grote rol speelde. Duitsers bekleedden hoge functies in bestuur en ambtenarij, terwijl de Esten slechts arbeid verrichten. De emancipatie van de Esten en van de Estische taal kwamen pas vanaf 1800 van de grond.
Estland is op 1 mei 2004 toegetreden tot de Europese Unie.
Geografie
Estland heeft in totaal 561 kilometer aan landsgrenzen. De kustlijn is vele malen langer en meet 3794 km. Er zijn drie grote rivieren: de Emajõgi, de Pärnu en de Narva. Alleen de Emajõgi en de Narva worden bevaren.
Estland is een overwegend vlak land, waarvan de noordkust echter op veel plaatsen steil uit zee oprijst, en dat in het zuidoosten overgaat in heuvelland. Hier ligt dan ook de hoogste berg van Estland, Suur Munamägi (Grote Eierberg, 318 m), die net iets lager is dan de hoogste van Nederland. De oostgrens met Rusland wordt grotendeels gevormd door het Peipusmeer (3555 km²) en het Meer van Pskov, en noordelijker door de rivier de Narva. Alleen in het zuiden heeft Estland geen natuurlijke grens.
Westelijk en noordelijk van Estland liggen honderden eilanden, waarvan het overgrote deel onbewoond is, waarvan sommige door de Sovjet-Unie als militair terrein zijn gebruikt. De grootste eilanden zijn Saaremaa en het dichtbeboste Hiiumaa, beide met een herkenbaar eigen karakter. Deze beide eilanden vormen eigen provincies. Kleinere bewoonde eilanden zijn Muhu, Vormsi, Abruka, Kihnu en Ruhnu.
Provincie Hoofdstad
Harjumaa Tallinn
Hiiumaa Kärdla
Ida-Virumaa Jõhvi
Järvamaa Paide
Jõgevamaa Jõgeva
Läänemaa Haapsalu
Lääne-Virumaa Rakvere
Pärnumaa Pärnu
Põlvamaa Põlva
Raplamaa Rapla
Saaremaa Kuressaare
Tartumaa Tartu
Valgamaa Valga
Viljandimaa Viljandi
Võrumaa Võru
Het land is onderverdeeld in vijftien provincies (maakond, meervoud: maakonnad) en deze in 193 landgemeenten (vald) en 34 steden (linn).
De grootste steden in Estland zijn achtereenvolgens Tallinn (396.010 inw.), Tartu (101.483), Narva (67.144), Kohtla-Järve (46.032) en Pärnu (44.396; inwonertallen per 2005)
Bevolking
De meerderheid van de inwoners van Estland heeft de Estische nationaliteit (68,6%) en spreekt de Estische taal. Er is echter net als in Letland, grotendeels ten gevolge van een vanuit Moskou gestimuleerde immigratie ten tijde van de Sovjet-Unie, een omvangrijke Russischtalige minderheid. Deze kwam vrijwillig naar het gebied vanwege de iets hogere lonen en omdat er meer dingen te koop waren dan in de rest van de Sovjet-Unie. Ook hadden ze veel privileges. De Estische taal werd ten tijde van de Sovjet-Unie sterk ontmoedigd; iedereen werd geacht Russisch te spreken, waardoor Estische inwoners zich tweederangs burgers voelden. Tussen 1959 en 1989 steeg het percentage Russen van 22% naar 35%. De Russische minderheden zijn geconcentreerd in de hoofdstad Tallinn (40% van de bevolking van 397.000 inwoners), in de tweede stad van het land, Tartu (bevolking tot voor kort 114.000, nu iets meer dan 100.000), en in enkele industriesteden in Noordoost-Estland, waarvan Narva en Kohtla-Järve de belangrijkste zijn. De redenen waarom veel Russen bleven waren omdat ze verwachtten dat de Estse economie zich beter zou ontwikkelen dan de Russische.
Volgens het Estse ministerie van bevolkingszaken waren in december 2005 136.533 inwoners (ongeveer 10%) van Estland geen Estisch staatsburger[1]. Een van de belangrijkste voorwaarden voor het verkrijgen van de Estse nationaliteit is de Estische taal te spreken of een taalexamen af te leggen. De Russische minderheid en kleinere minderheden van Wit-Russen, Oekraïeners en Finnen, worden dus geacht de Estse taal te leren. Voor het verkrijgen van een beroep in Estland is de Estische taal vereist in verschillende gradiënten; voor sommige beroepen als doktoren is veel Estische taalkennis vereist, voor andere beroepen als productiewerk is een beperkte Estische woordenschat voldoende. Veel fabrieken waar de Russen werkten zijn echter failliet gegaan en er heerst daardoor hoge werkloosheid onder deze bevolkingsgroep. In Litouwen is destijds gekozen voor het nationaliseren van alle in het land woonachtige Russen, maar daar ging het slechts om 10% van de bevolking.

Dit heeft tot spanningen tussen de Eststalige en de Russischtalige bevolking en tussen de Estse en de Russische regering geleid. Ondanks de traditionele tolerantie van de Estse bevolking braken in april 2007 spanningen uit tussen de Russische bevolking en de Estse politie na de verwijdering van een bronzen beeld, symbool voor de Russische bevolking in Estland, maar een symbool van de Sovjetbezetting voor de Esten. Tijdens het Sovjetbewind hebben de meeste in Estland wonende Russen nooit de noodzaak gevoeld om de Estse taal te leren en zij vinden het onredelijk dat ze nu alsnog hiertoe gedwongen worden als ze de Estse nationaliteit willen verwerven. Russisch en Ests zijn geen verwante talen en het Ests heeft de naam een moeilijke taal te zijn. Bovendien is het aanbod Estse taalcursussen beperkt. Terugkeer naar Rusland willen veel Russen niet aangezien Rusland ze vanwege de hoge werkloosheid en het migrantenprobleem daar ook niet met open armen ontvangt. Daarnaast telt mee dat men zich veiliger voelt in Estland en het gegarandeerde pensioen er 10 keer hoger ligt. Veel Russen die in Estland zijn geboren tijdens de Sovjetperiode hebben bovendien weinig tot geen relationele banden meer met Rusland en zijn daarom ook veel minder snel geneigd om naar Rusland te gaan. Tenslotte geldt dat Russen die geen Ests staatsburgerschap hebben in principe stateloos zijn en daardoor het land niet uit kunnen. Als ze naar Rusland zouden gaan om bijvoorbeeld hun familie of vrienden te bezoeken, zouden ze niet weer terug kunnen keren naar Estland omdat ze daarvan officieel geen burgers zijn.
Daarnaast spelen ook onverschilligheid en culturele of politieke motieven een rol. Veel in Estland wonende Russen vinden, als sprekers van een wereldtaal, het Ests een onbelangrijke taal en zijn het vaak ook niet eens met de officiële Estse lezing dat het land niet vrijwillig deel uitmaakte van de Sovjet-Unie maar integendeel door de Sovjets bezet was. De Russische bevolking in Estland voelt zich hierdoor min of meer een tweederangs bevolkingsgroep. Een deel van de Esten heeft een anti-Russische houding, mede veroorzaakt door het verleden, en ziet de Russen liever naar Rusland terugkeren. De na de instorting van de Sovjet-Unie geboren kinderen van Russische immigranten hebben minder met deze problematiek te maken, omdat ze het Ests op school leren. De OVSEcommissaris voor Nationale Minderheden heeft verder de Estse regering overtuigd van een aantal maatregelen, waaronder de maatregel dat kinderen van Russische ouders die na 1991 zijn geboren automatisch het Estse staatsburgerschap krijgen (Pater, B. de, et. al. Europa, p.190-191).
Uit geschatte cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) blijkt dat 1,3 procent van de Esten tussen 15 en 49 jaar met het virus is besmet dat aids kan veroorzaken, wat het na Oekraïne het meest besmette land van Europa maakt. Zeker meer dan 5000 Esten zijn besmet, maar het aantal nieuwe besmettingen neemt geleidelijk aan wel iets af; van 899 in 2002 tot 621 in 2005.[2] Vermoedelijk zijn lang niet alle dragers van het HIV-virus als zodanig geregistreerd. Estland telt 1.349.290 (2004) inwoners.
Economie
In de jaren 90 heeft Estland vergaande economische liberaliseringen doorgevoerd, zo is er in 1994 een vlaktaks ingevoerd. Estland stond in 2005 op de vierde plek op de ranglijst van economische vrijheid van de Heritage Foundation. In 2004 groeide het bruto binnenlands product met 6,2%. De regering wil op 1 januari 2008 de euro invoeren.
Informatietechnologie is een zeer belangrijke sector van de Estse economie. Zo is bijvoorbeeld Skype ontwikkeld in Estland. De arbeidsmarkt in Estland is niet erg sterk maar richt zich steeds verder op Europa.
Politiek en bestuur
Presidentieel Paleis Estland: Paslepa ResidentieEstland is een parlementaire democratie met als staatshoofd Toomas Hendrik Ilves (SDE), die in oktober 2006 Arnold Rüütel (ERL) opvolgde. Premier is Andres Ansip (RE) sinds 13 april 2005. De president heeft relatief veel bevoegdheden. De regering bestaat uit een coalitie van RE, K en ERL. Het Estse parlement wordt Riigikogu genoemd. Het bestaat uit één kamer die 101 leden telt. Deze worden om de vier jaar gekozen via algemene verkiezingen. De Riigikogu kiest om de vier jaar de president. De uitvoerende macht ligt bij de ministerraad, welke voorgezeten wordt door de minister-president, die door de president van de republiek wordt benoemd. Bij de laatste verkiezingen deden elf partijen mee, waarvan er uiteindelijk zes een plaats in de Riigikogu wisten te veroveren (er is een kiesdrempel van 5%).
Estland is het eerste land ter wereld waar men via internet op het parlement kon stemmen. Eerder kon men al on-line stemmen op de gemeenteraadsverkiezingen.
Uitslag Laatste verkiezingen (4 april 2007)
Partij Stemmen % Zetels
Eesti Reformierakond (RE) ELDR
(Liberalen) 27,8% 31
Eesti Keskerakond (K) ELDR
(Social-liberalen) 26,1% 29
Isamaa ja Res Publica Liit (IRL) EPP
(Conservatieven) 17,9% 19
Sotsiaaldemokraatlik Erakond (SDE) PES
(Social democraten) 10,6% 10
Eestimaa Rohelised (ER) EGP
(Groenen) 7,1% 6
Eestimaa Rahvaliit (ERL) AEN
(Agrarische coservatieven) 7,1% 6
Overige Partijen 3,4% 0
Verkeer
De lengte van het gesloten wegennet van Estland was in 2000 30.300 km, waarvan 1135 km snelweg en 2618 km secundaire wegen (Bron: Indexmundi 2004). De totale lengte van het spoorwegennet is 968 km, waarvan slechts 132 km geëlektrificeerd was (Bron: Indexmundi 2004).
Estland is gunstig gelegen aan de Oostzee wat met zich meebrengt dat de havens van Tallinn en Muuga beter in staat zijn schepen te ontvangen dan verder weg gelegen concurrenten zoals St. Petersburg. De Estische transportsector zou misschien zelfs gezien kunnen worden als de sector waar in de toekomst de grootste mogelijkheden in liggen (Bron: EVD 2004).

Geschiedenis van Estland
Het gebied van het huidige Estland wordt sinds ongeveer 11.000 jaar bewoond, nadat het landijs zich teruggetrokken had.
De Esten worden rond 800 voor het eerst genoemd. Aan het begin van de 13e eeuw werden de Esten van Denemarken uit gekerstend. In 1356 werden de Esten door de Duitse Orde onderworpen. Sindsdien had Estland een Duitse minderheid die zichzelf ook als zodanig beschouwde.
Middeleeuwen en vroege renaissance
Middeleeuwse Gotische Stadhuis van TallinnDe ontwikkelingen in de middeleeuwen waren gekenmerkt door het Hanze-lidmaatschap van diverse Estse steden en de handelscontacten naar Scandinavië. Toen de staat van de Duitse Orde uiteenviel onder de aanvallen van Iwan de Verschrikkelijke (Lijflandse Oorlog) onderwierp Estland zich in 1561 aan de Zweedse heerschappij. Het zuiden van Estland rondom Tartu werd samen met het noorden van het huidige Letland (Lijfland) een Pools leen, maar kwam in 1629 met de Vrede van Altmark ook bij Zweden. Onder de Zweden genoten de Esten ruimere vrijheden dan onder de Russen.
Russische heerschappij
Russische kerk van TallinnTijdens de Grote Noordse Oorlog werd Estland in 1710 (definitief in 1721 met de Vrede van Nystad) Russisch onder Peter de Grote en was een van de drie Oostzeegouvernementen (Gouvernement Estland). Het lijfeigenschap werd in Noord-Estland in 1816 en in Zuid-Estland in 1819 afgeschaft. De tsaren na Alexander III (1881-1894) volgden een politiek van Russificatie. Dit leidde tot een groeiend zelfbewustzijn en nationalisme onder de Esten. Een centrale plek in deze ontwikkeling van een eigen identiteit speelde de universiteit van Tartu.
Onafhankelijkheid
Op 24 februari 1918 werd de republiek Estland uitgeroepen. Vooralsnog was dit slechts een papieren besluit. De daadwerkelijke onafhankelijkheid werd tussen 1918 en 1920 bevochten. Met de vrede van Tartu in 1920 erkende de Sovjet-Unie de onafhankelijkheid van Estland.
Estland kwam na 1920 cultureel en economisch tot bloei. In 1934 riep president Konstantin Päts de noodtoestand uit en regeerde als autoritair leider het land.
Bezetting door de Sovjet-Unie en Nazi-Duitland
Monument voor gevallen Russische militairen tijdens de Tweede wereldoorlog op het eiland Hiiumaa, EstlandIn augustus 1939 sloten Nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie het Molotov-Ribbentroppact, waarin de invloedssferen van Duitsland en de Sovjet-Unie werden uitonderhandeld. Als resultaat daarvan viel de Sovjet-Unie in juni 1940 Estland binnen. De Sovjet-Unie arresteerde in het eerste jaar van de bezetting 8.000 mensen, waaronder de politieke en militaire top van het land. 2.200 van hen werden geëxecuteerd en de meeste anderen werden in de Sovjet-Unie gevangen gezet. Weinigen keerden terug. Op 14 juni 1941 vonden gelijktijdig massa-deportaties plaats in de drie Baltische republieken; vanuit Estland werden 10.000 burgers naar Siberië en andere uithoeken van de Sovjet-Unie gedeporteerd. Na de Duitse invasie in de Sovjet-Unie werden 32.000 Estse mannen gedwongen in 'arbeidsbataljons' in de Sovjet-Unie te werken. Van hen kwam in het eerste jaar 40 % om het leven door de ontberingen.
Tussen 1941 en 1944 was Estland door Duitsland bezet en viel onder het Reichskommissariat Ostland. De Duitse bezetting bracht geen verlichting voor de Esten: zij kregen hun onafhankelijkheid niet terug en de kleine Joodse gemeenschap (waarvan de helft naar de Sovjet-Unie wist te ontkomen) werd voor het eind van 1941 vrijwel volledig vermoord door SS-Einsatzgruppen.
Tweede Sovjet-bezetting
KGB cellen in het 'grijze huis' in Tartu, EstlandIn de herfst van 1944 werd Estland wederom door de Sovjet-Unie bezet. Van de Estse bevolking vluchtten 80.000 mensen naar het westen. De Zweedse minderheid op de eilanden werd door Zweden opgenomen. Estland werd als Estse SSR in de Sovjet-Unie opgenomen. Dit werd door het Westen niet erkend, maar wel getolereerd.
In de jaren direct na de oorlog werd een guerilla gevoerd door de "Metsavennad" (Woud-broeders). Dit kostte 30-35.000 mensen het leven. In maart 1949 werden ongeveer 20.000 Esten naar Siberië gedeporteerd. Ook onder de Sovjets werd een stringente politiek van Russificatie gevoerd. In het oosten van Estland werden de Esten een minderheid in eigen land.
Tweede Onafhankelijkheid
In 1990 streefde Estland opnieuw naar onafhankelijkheid, net als Litouwen en Letland. Op 20 augustus 1991 verklaarde Estland zich onafhankelijk.
Op 29 maart 2004 werd Estland lid van de NAVO en op 1 mei van hetzelfde jaar werd Estland lid van de Europese Unie.

Estland is pas vanaf 1918 een zelfstandige staat. Het onafhankelijke Estland werd in 1940 door sovjettroepen bezet en na een korte Duitse bezetting in 1944 bij de Sovjet-Unie ingelijfd. Het bezette Estland herkreeg in 1991 zijn onafhankelijkheid. De jaren van toenemende vrijheid die aan deze gebeurtenis voorafgingen, gingen de geschiedenis in als de zingende revolutie.
Voor 1918 behoorde Estland tot de grote mogendheden die het land omringen: het was afwisselend (ten dele) Deens, Zweeds, (ten dele) Pools en Russisch, terwijl de Duitse Orde er eeuwenlang een grote rol speelde. Duitsers bekleedden hoge functies in bestuur en ambtenarij, terwijl de Esten slechts arbeid verrichten. De emancipatie van de Esten en van de Estische taal kwamen pas vanaf 1800 van de grond.
Estland is op 1 mei 2004 toegetreden tot de Europese Unie.
Geografie
Estland heeft in totaal 561 kilometer aan landsgrenzen. De kustlijn is vele malen langer en meet 3794 km. Er zijn drie grote rivieren: de Emajõgi, de Pärnu en de Narva. Alleen de Emajõgi en de Narva worden bevaren.
Estland is een overwegend vlak land, waarvan de noordkust echter op veel plaatsen steil uit zee oprijst, en dat in het zuidoosten overgaat in heuvelland. Hier ligt dan ook de hoogste berg van Estland, Suur Munamägi (Grote Eierberg, 318 m), die net iets lager is dan de hoogste van Nederland. De oostgrens met Rusland wordt grotendeels gevormd door het Peipusmeer (3555 km²) en het Meer van Pskov, en noordelijker door de rivier de Narva. Alleen in het zuiden heeft Estland geen natuurlijke grens.
Westelijk en noordelijk van Estland liggen honderden eilanden, waarvan het overgrote deel onbewoond is, waarvan sommige door de Sovjet-Unie als militair terrein zijn gebruikt. De grootste eilanden zijn Saaremaa en het dichtbeboste Hiiumaa, beide met een herkenbaar eigen karakter. Deze beide eilanden vormen eigen provincies. Kleinere bewoonde eilanden zijn Muhu, Vormsi, Abruka, Kihnu en Ruhnu.
Provincie Hoofdstad
Harjumaa Tallinn
Hiiumaa Kärdla
Ida-Virumaa Jõhvi
Järvamaa Paide
Jõgevamaa Jõgeva
Läänemaa Haapsalu
Lääne-Virumaa Rakvere
Pärnumaa Pärnu
Põlvamaa Põlva
Raplamaa Rapla
Saaremaa Kuressaare
Tartumaa Tartu
Valgamaa Valga
Viljandimaa Viljandi
Võrumaa Võru
Het land is onderverdeeld in vijftien provincies (maakond, meervoud: maakonnad) en deze in 193 landgemeenten (vald) en 34 steden (linn).
De grootste steden in Estland zijn achtereenvolgens Tallinn (396.010 inw.), Tartu (101.483), Narva (67.144), Kohtla-Järve (46.032) en Pärnu (44.396; inwonertallen per 2005)
Bevolking
De meerderheid van de inwoners van Estland heeft de Estische nationaliteit (68,6%) en spreekt de Estische taal. Er is echter net als in Letland, grotendeels ten gevolge van een vanuit Moskou gestimuleerde immigratie ten tijde van de Sovjet-Unie, een omvangrijke Russischtalige minderheid. Deze kwam vrijwillig naar het gebied vanwege de iets hogere lonen en omdat er meer dingen te koop waren dan in de rest van de Sovjet-Unie. Ook hadden ze veel privileges. De Estische taal werd ten tijde van de Sovjet-Unie sterk ontmoedigd; iedereen werd geacht Russisch te spreken, waardoor Estische inwoners zich tweederangs burgers voelden. Tussen 1959 en 1989 steeg het percentage Russen van 22% naar 35%. De Russische minderheden zijn geconcentreerd in de hoofdstad Tallinn (40% van de bevolking van 397.000 inwoners), in de tweede stad van het land, Tartu (bevolking tot voor kort 114.000, nu iets meer dan 100.000), en in enkele industriesteden in Noordoost-Estland, waarvan Narva en Kohtla-Järve de belangrijkste zijn. De redenen waarom veel Russen bleven waren omdat ze verwachtten dat de Estse economie zich beter zou ontwikkelen dan de Russische.
Volgens het Estse ministerie van bevolkingszaken waren in december 2005 136.533 inwoners (ongeveer 10%) van Estland geen Estisch staatsburger[1]. Een van de belangrijkste voorwaarden voor het verkrijgen van de Estse nationaliteit is de Estische taal te spreken of een taalexamen af te leggen. De Russische minderheid en kleinere minderheden van Wit-Russen, Oekraïeners en Finnen, worden dus geacht de Estse taal te leren. Voor het verkrijgen van een beroep in Estland is de Estische taal vereist in verschillende gradiënten; voor sommige beroepen als doktoren is veel Estische taalkennis vereist, voor andere beroepen als productiewerk is een beperkte Estische woordenschat voldoende. Veel fabrieken waar de Russen werkten zijn echter failliet gegaan en er heerst daardoor hoge werkloosheid onder deze bevolkingsgroep. In Litouwen is destijds gekozen voor het nationaliseren van alle in het land woonachtige Russen, maar daar ging het slechts om 10% van de bevolking.

Dit heeft tot spanningen tussen de Eststalige en de Russischtalige bevolking en tussen de Estse en de Russische regering geleid. Ondanks de traditionele tolerantie van de Estse bevolking braken in april 2007 spanningen uit tussen de Russische bevolking en de Estse politie na de verwijdering van een bronzen beeld, symbool voor de Russische bevolking in Estland, maar een symbool van de Sovjetbezetting voor de Esten. Tijdens het Sovjetbewind hebben de meeste in Estland wonende Russen nooit de noodzaak gevoeld om de Estse taal te leren en zij vinden het onredelijk dat ze nu alsnog hiertoe gedwongen worden als ze de Estse nationaliteit willen verwerven. Russisch en Ests zijn geen verwante talen en het Ests heeft de naam een moeilijke taal te zijn. Bovendien is het aanbod Estse taalcursussen beperkt. Terugkeer naar Rusland willen veel Russen niet aangezien Rusland ze vanwege de hoge werkloosheid en het migrantenprobleem daar ook niet met open armen ontvangt. Daarnaast telt mee dat men zich veiliger voelt in Estland en het gegarandeerde pensioen er 10 keer hoger ligt. Veel Russen die in Estland zijn geboren tijdens de Sovjetperiode hebben bovendien weinig tot geen relationele banden meer met Rusland en zijn daarom ook veel minder snel geneigd om naar Rusland te gaan. Tenslotte geldt dat Russen die geen Ests staatsburgerschap hebben in principe stateloos zijn en daardoor het land niet uit kunnen. Als ze naar Rusland zouden gaan om bijvoorbeeld hun familie of vrienden te bezoeken, zouden ze niet weer terug kunnen keren naar Estland omdat ze daarvan officieel geen burgers zijn.
Daarnaast spelen ook onverschilligheid en culturele of politieke motieven een rol. Veel in Estland wonende Russen vinden, als sprekers van een wereldtaal, het Ests een onbelangrijke taal en zijn het vaak ook niet eens met de officiële Estse lezing dat het land niet vrijwillig deel uitmaakte van de Sovjet-Unie maar integendeel door de Sovjets bezet was. De Russische bevolking in Estland voelt zich hierdoor min of meer een tweederangs bevolkingsgroep. Een deel van de Esten heeft een anti-Russische houding, mede veroorzaakt door het verleden, en ziet de Russen liever naar Rusland terugkeren. De na de instorting van de Sovjet-Unie geboren kinderen van Russische immigranten hebben minder met deze problematiek te maken, omdat ze het Ests op school leren. De OVSEcommissaris voor Nationale Minderheden heeft verder de Estse regering overtuigd van een aantal maatregelen, waaronder de maatregel dat kinderen van Russische ouders die na 1991 zijn geboren automatisch het Estse staatsburgerschap krijgen (Pater, B. de, et. al. Europa, p.190-191).
Uit geschatte cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) blijkt dat 1,3 procent van de Esten tussen 15 en 49 jaar met het virus is besmet dat aids kan veroorzaken, wat het na Oekraïne het meest besmette land van Europa maakt. Zeker meer dan 5000 Esten zijn besmet, maar het aantal nieuwe besmettingen neemt geleidelijk aan wel iets af; van 899 in 2002 tot 621 in 2005.[2] Vermoedelijk zijn lang niet alle dragers van het HIV-virus als zodanig geregistreerd. Estland telt 1.349.290 (2004) inwoners.
Economie
In de jaren 90 heeft Estland vergaande economische liberaliseringen doorgevoerd, zo is er in 1994 een vlaktaks ingevoerd. Estland stond in 2005 op de vierde plek op de ranglijst van economische vrijheid van de Heritage Foundation. In 2004 groeide het bruto binnenlands product met 6,2%. De regering wil op 1 januari 2008 de euro invoeren.
Informatietechnologie is een zeer belangrijke sector van de Estse economie. Zo is bijvoorbeeld Skype ontwikkeld in Estland. De arbeidsmarkt in Estland is niet erg sterk maar richt zich steeds verder op Europa.
Politiek en bestuur
Presidentieel Paleis Estland: Paslepa ResidentieEstland is een parlementaire democratie met als staatshoofd Toomas Hendrik Ilves (SDE), die in oktober 2006 Arnold Rüütel (ERL) opvolgde. Premier is Andres Ansip (RE) sinds 13 april 2005. De president heeft relatief veel bevoegdheden. De regering bestaat uit een coalitie van RE, K en ERL. Het Estse parlement wordt Riigikogu genoemd. Het bestaat uit één kamer die 101 leden telt. Deze worden om de vier jaar gekozen via algemene verkiezingen. De Riigikogu kiest om de vier jaar de president. De uitvoerende macht ligt bij de ministerraad, welke voorgezeten wordt door de minister-president, die door de president van de republiek wordt benoemd. Bij de laatste verkiezingen deden elf partijen mee, waarvan er uiteindelijk zes een plaats in de Riigikogu wisten te veroveren (er is een kiesdrempel van 5%).
Estland is het eerste land ter wereld waar men via internet op het parlement kon stemmen. Eerder kon men al on-line stemmen op de gemeenteraadsverkiezingen.
Uitslag Laatste verkiezingen (4 april 2007)
Partij Stemmen % Zetels
Eesti Reformierakond (RE) ELDR
(Liberalen) 27,8% 31
Eesti Keskerakond (K) ELDR
(Social-liberalen) 26,1% 29
Isamaa ja Res Publica Liit (IRL) EPP
(Conservatieven) 17,9% 19
Sotsiaaldemokraatlik Erakond (SDE) PES
(Social democraten) 10,6% 10
Eestimaa Rohelised (ER) EGP
(Groenen) 7,1% 6
Eestimaa Rahvaliit (ERL) AEN
(Agrarische coservatieven) 7,1% 6
Overige Partijen 3,4% 0
Verkeer
De lengte van het gesloten wegennet van Estland was in 2000 30.300 km, waarvan 1135 km snelweg en 2618 km secundaire wegen (Bron: Indexmundi 2004). De totale lengte van het spoorwegennet is 968 km, waarvan slechts 132 km geëlektrificeerd was (Bron: Indexmundi 2004).
Estland is gunstig gelegen aan de Oostzee wat met zich meebrengt dat de havens van Tallinn en Muuga beter in staat zijn schepen te ontvangen dan verder weg gelegen concurrenten zoals St. Petersburg. De Estische transportsector zou misschien zelfs gezien kunnen worden als de sector waar in de toekomst de grootste mogelijkheden in liggen (Bron: EVD 2004).